fbpx

Door Hem en voor Hem

Jezus zien in de schepping

Deze blogpost is gebaseerd op het eerste hoofdstuk uit mijn boek ‘Jezus in het Oude Testament’. Je kunt ook luisteren naar de podcast-aflevering ‘Jezus zien in de schepping‘. 

‘Eindelijk begon er in het donker iets te gebeuren. Een stem was begonnen te zingen. Het zingen kwam van heel ver weg en Digory kon moeilijk uitmaken van welke kant het kwam. Soms leek het wel van alle kanten tegelijk te komen. Dan weer had hij het idee dat het uit de grond onder hun voeten kwam. De laagste noten waren zo diep dat ze wel de stem van de aarde zelf zouden kunnen zijn. Er waren geen woorden bij. Er was zelfs bijna geen melodie. Maar het was verreweg het mooiste wat hij ooit had gehoord. (…)

Toen gebeurden er twee bijzondere dingen te gelijk. Het ene was dat er opeens andere stemmen begonnen mee te zingen, meer stemmen dat je ooit tellen kon. Ze klonken heel mooi bij de eerste stem, maar waren veel hoger; koele, tinkelende, zilverige stemmen. Het tweede bijzondere was dat er in het zwart boven hun hoofd plotseling duizenden sterren stonden te flonkeren. Ze kwamen niet één voor één tevoorschijn, schoorvoetend, zoals op een zomeravond. (…)

De hemel in het oosten veranderde van wit in roze en van roze in goud. De Stem werd voller en voller, totdat de lucht ervan dreunde. En net toen hij aanzwol tot de machtigste, prachtigste klank die hij tot nog toe had voortgebracht, kwam de zon op.’
(Uit: Het neefje van de tovenaar – C.S. Lewis)

Heb je je ooit afgevraagd hoe het geweest moet zijn om de schepping van de aarde te aanschouwen? In zijn geweldige Narnia-serie laat auteur C.S. Lewis zijn personage Digory getuige zijn van het ontstaan van de wereld Narnia. De Schepper is Aslan, de moedige leeuw die een hoofdrol speelt in de Narnia-boeken.

Het zijn de woorden van Aslan die de sterren hun plek geven en de hemel zijn kleur. Hij is een leeuw, maar brult niet met de brute kracht van een wild dier. Nee, Aslan zingt. En wat hij zingt, gebeurt. Beter nog: ontstaat. Eerst was het er niet, maar dan verschijnt het. Majestueuze bergen, grote oceanen, zandvlaktes en jungles. Vissen en vogels. Reusachtige landdieren als olifanten en giraffen, en ook insecten als kevers en mieren.

Als het lied uit is, kijkt Aslan neer op wat hij zojuist tot leven heeft gezongen. En hij ziet dat het goed is. Erg goed. In de Narnia-kronieken staat Aslan symbool voor God/Christus: hij redt de wereld die hij zelf schiep door zijn leven te geven. De link tussen de schepper van Narnia en de verlosser van Narnia is duidelijk: het is Aslan. Hij creëert en hij redt.

Dit is ook de boodschap van de Bijbel. God is zowel de Maker van het universum als de Redder ervan. Wij zien die reddende God in Jezus Christus. Wie de Bijbel minder goed kent, heeft het gevoel dat Jezus pas na ongeveer twee derde van het verhaal op het toneel verschijnt. Pas aan het begin van het Nieuwe Testament wordt Hij geboren. Later trekt Hij enkele jaren rond waarin Hij onderwijs geeft en wonderen doet. En vervolgens laat Hij zichzelf kruisigen als een misdadiger, hoewel Hij zonder zonden is. Hij draagt de straf van de mensen en redt hen. Iedereen die in Hem gelooft, blijft behouden.

Maar als Christus de held in het verhaal is, waarom verschijnt Hij dan zo laat in de Bijbel? Kan het zijn dat Jezus al vanaf het begin betrokken was bij Gods plan met de mensheid? Hij was er natuurlijk al vanaf het begin bij, maar waar was Hij dan? Met Narnia in ons achterhoofd zouden we kunnen zeggen: als Aslan de scheppende God is in dit verhaal, dan is Jezus zijn lied.

Elohim, Ruach en Dabar creëren en brengen orde

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods Geest zweefde over het water. (Genesis 1:1 2)

Deze eerste twee verzen in de Bijbel vertellen al direct zoveel. Het gaat er niet om of er een oerknal was, of dat alles is geschapen in zes dagen of niet. Daar kun je heel veel over zeggen en over argumenteren, maar Genesis is niet geschreven om mensen in de 21e eeuw te vertellen hoe alles wetenschappelijk is ontstaan.

Hier, aan het begin van de Bijbel, stelt God zich voor. In de eerste plaats aan Mozes en de Israëlieten die Hij heeft bevrijd uit Egypte. Mozes is namelijk de schrijver van Genesis en hij heeft de verhalen in dit boek uit de mond van God gehoord. Het volk Israël was vierhonderd jaar slaaf geweest in Egypte. Daar waren ze gehersenspoeld door de Egyptische cultuur die in het teken stond van afgoderij. We komen hier uitgebreid op terug als we de uittocht uit Egypte behandelen.

Het punt is dat de eerste mensen die van God hoorden over de schepping, over Adam en Eva, en over Noach en Abraham, God eigenlijk niet goed kenden. Ze kenden wellicht alleen wat verhalen over Abraham, Isaak, Jakob en zijn twaalf zonen. Verder hadden ze God aan het werk gezien toen Hij Zijn plagen uitstortte over Egypte en het leger van de farao liet verdrinken in de Rietzee.

Toen de Israëlieten uit Egypte vertrokken, moeten de Israëlieten zich hebben afgevraagd wie deze God nu eigenlijk was. Wat wilde Hij van hen? Daarom stelt God zich aan hen voor in Genesis 1.

Niet alleen aan hen, ook aan ons. Wij hebben wel een voordeel: wij kunnen van voren naar achteren door de Bijbel bladeren en op die manier kunnen we verbanden zien die voor Mozes en zijn tijdgenoten onduidelijk bleven. Laten we met dit in ons achterhoofd kijken naar hoe de Drie eenheid in volkomen harmonie samenwerkte om het universum te creëren.
De eerste verzen van de Bijbel kunnen we letterlijker vertalen:

Aan het begin van de tijd creëerde Sterkte de hemelen en de aarde. De aarde was/werd vormloos en leeg. Duisternis lag over de oervloed. De Adem van God zweefde boven het water.

Twee verschijningsvormen van God worden hier genoemd. Elohim is het Hebreeuwse woord dat hier wordt gebruikt voor ‘God’. Het betekent ‘Macht’ of ‘Sterkte’. Wij gebruiken deze naam in het Nederlands eigenlijk niet vaak. Meestal hebben we het gewoon over God en bedoelen we ‘God de Vader’.

De tekst spreekt ook over ‘Gods Ruach’ Oftewel: ‘Gods Geest’. Letterlijk betekent Ruach: ‘Adem’ en dat duidt erop dat de Geest net zo onzichtbaar en onaanraakbaar is als lucht, maar ook net zo onmisbaar als zuurstof.

In deze eerste regels van de Bijbel komt God steeds dichterbij. Elohim creëert van een grote afstand, zo lijkt het. Op een gegeven moment is de aarde er wel, maar alles is bedekt door een dikke laag water. Dan wordt onze blik getrokken naar Gods Geest. Die zweeft boven de duistere vloed, zoals een valk boven haar nest vliegt. Plotseling is God dus niet meer ver weg, maar dichtbij. God kijkt naar wat onder Hem is, zoals een moeder naar haar kind kijkt.

God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. (Genesis 1:3)

Nadat God in de vorm van Zijn Geest dichtbij is gekomen, spreekt Hij. Door woorden brengt Hij licht in Zijn schepping. In Genesis 1 staat simpelweg ‘God zei’. Dat houdt in dat Hij woorden gebruikt. Het woord ‘woord’ komt in deze tekst niet letterlijk voor. De Bijbel had echter ook kunnen zeggen ‘Gods woord creërde’. Het Hebreeuwse woord voor ‘woord’ is ‘dabar’. ‘Dabar’ wordt op andere plaatsen in de Bijbel wel genoemd, zoals bijvoorbeeld Genesis 15:1 en 15:4.

Jezus is Gods ‘Dabar’, Zijn Woord. Elk scheppend Woord dat God dus spreekt, is Jezus. Zoals Aslan Narnia laat ontstaan door een kunstig lied, zo maakt God met Zijn Woord alles wat bestaat. De apostel Johannes zegt hierover:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. (Johannes 1:1 2)

Het is alsof Johannes zijn lezers mee terugneemt naar die allereerste woorden in Genesis en zegt: ‘Weet je nog hoe God onze wereld heeft gemaakt? Hoe Hij alles met Zijn woord liet ontstaan en zijn plek gaf? Hij benoemde het en het was er. Nou, dat Woord? Dat was Jezus. Hij was er aan het begin en Hij was bij God. Maar denk niet dat Hij gemaakt is door God. Nee, Jezus is geen schepsel zoals wij. Hij was God. Alles wat je kunt waarnemen is ontstaan door Hem en zonder Hem is niets ontstaan van wat bestaat.’

Niet alleen God de Vader en God de Geest zijn verantwoordelijk voor de creatie van alles wat er is. Jezus was erbij en speelde een cruciale rol. Jezus is het gesproken Woord van God. Johannes schreef in het Grieks en gebruikte dus niet ‘dabar’, maar hij heeft het over ‘logos’. Dat is het Griekse woord waar ons woord ‘logica’ vanaf stamt. Dus als Johannes Jezus het Woord van God noemt, bedoelt hij meer dan simpelweg ‘woord’. Logos betekent ook ‘logica’, ‘reden’, ‘gedachte’, ‘idee’ en ‘wijsheid’. Door Jezus heen spreekt God dus Zijn logica, Zijn ideeën en Zijn wijsheid tot ons.

Het duidelijkst zien we dit in het onderwijs dat Jezus gaf in Zijn tijd op aarde. Neem bijvoorbeeld de zogeheten Bergrede in Matteüs 5 tot en met 7. Hierin beschrijft Jezus hoe het koninkrijk van God in elkaar steekt. Dat is radicaal anders dan de samenlevingen die de mens heeft voortgebracht. Zo worden bij ons de sterken geëerd maar in Gods koninkrijk de zwakken. De eersten zullen de laatsten zijn. Word je geslagen? Sla dan niet terug, maar keer je andere wang toe. De diepgang van Jezus’ onderwijs is ongeëvenaard, daar kan ik nog een ander boek over schrijven. Maar nu terug naar het scheppingsverhaal zoals Johannes dit hervertelt.

Licht en leven

Nadat hij Jezus’ rol heeft beschreven als Woord van God, somt Johannes direct andere overeenkomsten op tussen het scheppingsverhaal in Genesis en wie Jezus is. Het eerste wat God benoemt in Genesis 1 is licht. Johannes voegt daaraan toe dat het Woord ‘leven’ was, en dat dat leven ‘licht’ was.

‘In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.’ (Johannes 1:4 5)

Johannes zegt dat het leven zich in het Woord van God bevindt. Gods Woord noemen we daarom ook wel: het ‘Levende Woord’. Jezus is een persoon en Hij leeft, maar Hij geeft ook leven. Dat is waar Genesis 1 om draait. Tijdens de eerste drie scheppingsdagen creëert God de ruimtes waar Zijn schepselen in zullen leven: de hemel voor de vogels, de wateren voor de vissen en het land voor de landdieren. De hele aarde is voor de mens.

Op de vierde, vijfde en zesde dag vult Hij die ruimtes met miljoenen of zelfs miljarden grote, kleine en minuscule dieren. God maakte alle levende dieren en planten én de plaatsen waar ze kunnen leven. Al het leven dat we vandaag de dag waarnemen, is alleen maar mogelijk door Hem.

God stopte echter niet bij het scheppen van fysiek leven. Tegelijk met de materiële schepping, werd ook geestelijk leven gemaakt. Wij zijn immers gecreëerd met een geest en een ziel. Zo heeft God ons door Zijn Woord (Jezus!) gemaakt.

Wat is een ziel eigenlijk? Dat laat zich lastig omschrijven. Het is net zoiets als het woord ‘liefde’. Iedereen weet wat het is, maar probeer er maar eens een goede definitie voor te geven. Soms heeft de Bijbel het bovendien specifiek over de ziel en soms specifiek over de geest van de mens. Soms worden die termen met elkaar afgewisseld.

Laten we voor nu de ziel omschrijven als ‘je hele wezen’. Dat wil zeggen niet alleen je lichaam, maar ook je geest, je gedachten en je hart. Als je sterft, gaat dit allemaal dood. Zowel de fysieke als de geestelijke aspecten van jou…

…behalve als je bij Jezus hoort. Als je in Hem gelooft en Hij jouw Heer en Verlosser is, als je je vertrouwen dus in Hem stelt, dan heb je eeuwig leven. Dan is de dood geen einde – geen doodlopende weg – maar een overgang naar een beter leven. De enige die dit voor elkaar kan krijgen bij mensen is Jezus. Als Hij, het Woord van God, in je hart leeft, dan word je een nieuwe schepping.

‘Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God.’ (2 Korintiërs 5:17 18)

In zekere zin stopt het scheppende werk van God nooit. Iedere dag zijn er mensen die hun leven aan Hem geven. Vanaf dat moment zijn zij een nieuwe schepping. Volmaakt? Nee, dat nog niet. Maar wel goed. Ik kom daar hieronder nog een keer op terug.

Laten we eerst nog even verder kijken naar de schepping door de ogen van Johannes. Hij gaat namelijk verder nadat hij het Woord van God levend heeft genoemd. Hij zegt dat dat leven zorgt voor licht. Dat is opvallend, omdat in Genesis 1 licht het eerste is wat God een plek geeft in Zijn schepping. Dat licht verjoeg de duisternis die al aanwezig was. Daar zit een veel diepere betekenis in, maakt Johannes ons duidelijk.

Als ik Genesis onbevangen lees, komen er allerlei 21e eeuwse vragen in me op. Ik vraag me af of God de oerknal heeft gebruikt om het universum te creëren, hoe het kan dat God eerst licht schept en daarna pas de zon aan de hemel zet. Maar dat is niet waar het scheppingsverhaal om draait. We moeten het scheppingsverhaal met geestelijke ogen bekijken, laat Johannes zien.

Aan het begin van de Bijbel maakte God het licht. Het licht is in zekere zin een vijand van de duisternis. Duisternis vlucht voor licht. Want al is het nog zo donker, je hoeft maar een lucifer aan te steken en je ziet dat licht. Het duister heeft de vlam wel omsingeld, maar het kan hem niet aanraken, laat staan doven.

Toen Jezus naar de aarde kwam als mens, was het alsof God opnieuw het licht scheidde van de duisternis. Niet voor niets noemt Jezus zichzelf ‘het Licht voor de wereld’ (Johannes 8:12). Maar dit keer gaat het niet om fysiek licht dat je met je ogen kunt waarnemen. Oneerbiedig gezegd: Jezus was geen wandelende lantaarnpaal. Het was in Zijn tijd op aarde niet zo dat je geen olielamp mee hoefde te nemen als je achter Hem aan een donker steegje in liep.

Jezus was (en is) een geestelijk licht. Als al het kwaad in deze wereld duisternis is, dan is Jezus het licht dat de duisternis verjaagt. Wat God letterlijk deed in het begin door fysiek licht te scheiden van donker, doet Jezus dus geestelijk. Plat gezegd maakt Hij slechte mensen goed. Dat wil niet zeggen dat ze nooit meer fouten maken, maar wel dat ze steeds meer op Hem gaan lijken. Hij stelt hen in staat om met zondige gewoontes af te rekenen.

Daarom zegt de Bijbel dat je, als je Jezus volgt, met Hem in het licht wandelt (1 Johannes 1:7). Stel je voor: een grote, sterke man loopt ‘s nachts met een reusachtige fakkel op straat. Als je besluit hem te volgen, mag je je eigen fakkel met zijn vuur aansteken. Dan sluit je je aan. Je bent niet de enige. Nee, de menigte van fakkeldragers is zo groot dat het lijkt alsof de hemel in lichterlaaie staat. Samen vormen ze een leger van licht. Zoals deze stoet mensen hun stad letterlijk zou verlichten, zo verlichten wij in geestelijk opzicht de samenleving. Niet voor niets noemt Jezus Zijn volgelingen het ‘licht van de wereld’ (Matteüs 5:14). Wij zijn Zijn fakkeldragers. Het licht dat we uitstralen komt van Hem.

De Redder van de hele schepping

Hoewel Elohim (God), Ruach (Heilige Geest) en Dabar (Gods Woord, Jezus) na iedere scheppingsdag uitroepen: ‘Het is goed’ en na dag zes (de schepping van de mens) zelfs: ‘Het is zeer goed’, werd Zijn creatie vervuild op de dag dat Adam en Eva van de verboden vrucht aten. Deze trieste daad van ongehoorzaamheid was als de geboorte van een kankergezwel in een verder gezond lichaam. Die tumor groeide en groeide en het kwaad kreeg steeds meer vat op de aarde. Want niet alleen de mens zucht onder de gevolgen van de zonde. De hele schepping kreunt, zegt de apostel Paulus in zijn brief aan de Romeinen:

De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn. Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door Hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt. (Romeinen 8:19 22)

Toen Adam en Eva voor het eerst zondigden, sleepten ze de hele schepping mee in hun val. Het was hun opdracht om namens God goed voor die schepping te zorgen. Die ene misstap maakte dat onmogelijk. Het was gedaan met de vrede. Voortaan moesten de mensen hard werken om voedsel uit de grond te krijgen en hun vee te verzorgen.

Vanaf het moment dat ze de hof van Eden verlieten, moesten ze bovendien uitkijken voor wilde beesten en ziekmakende insecten. Plotseling waren er vulkanen, overstromingen, aardbevingen, stormen, giftige planten, dieren die elkaar en de mens naar het leven stonden. Wat een schok moet het zijn geweest voor Adam en Eva om in een gebroken wereld te leven!

En toen kwam de volgende familietragedie. Kaïn sloeg uit afgunst zijn jongere broertje dood. De eerste moord in de geschiedenis van de mensheid.

Het was toen al duidelijk dat de mens een Verlosser nodig had en de mens niet alleen. De hele schepping wacht op de Redder, zegt Paulus. Ze is als een vrouw die pijnlijke weeën heeft. Weeën komen in golven. Misschien wilde moeder wel opgeven, maar dat kan niet. Want het kind in haar moet geboren worden. Dat is de beloning voor het tijdelijke lijden van de bevalling.

Jezus stierf om ons te redden, maar Hij liet zich niet alleen aan het kruis nagelen voor de mens. Zijn offer was niet alleen voor ons. Nee, Zijn heldhaftige daad redt de hele schepping. Ze wordt opnieuw geboren, zegt Paulus. Eerst zijn er de barensweeën, de golven van pijn, maar uiteindelijk komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Dat staat letterlijk in Openbaring, het laatste boek in de Bijbel, dat door de apostel Johannes is geschreven. Hij werd in een visioen meegenomen naar de hemel, waar hij het eind van de tijd kon zien. Hij moest opschrijven wat hij zag, zodat wij ons kunnen vasthouden aan de hoop die er in Jezus is:

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer. (Openbaring 21:1)

Dankzij Jezus’ overwinning, kan God de hemel en de aarde vernieuwen. Dit is geen likje verf over een vervallen bouwwerk; dit is een gloednieuw paleis. Als Johannes zegt: ‘De zee is er niet meer’, wil dat niet zeggen dat er geen grote watermassa’s zijn in de toekomstige wereld. Maar het gevaar van dat water is verdwenen. De wereld is weer een veilige plaats, zoals in de begindagen van de schepping. God benadrukt in de Bijbel bovendien dat alles maar dan ook alles weer nieuw wordt.

Hij die op de troon zat zei: ‘Alles maak Ik nieuw!’ (Openbaring 21:5a)

Johannes wordt in zijn visioen meegenomen naar een hoge berg, waar hij de bruid van het Lam mag zien – van Jezus dus. Een bruid wordt in veel tradities weggegeven aan de bruidegom door haar vader. Jezus is de bruidegom en alle mensen die Hem volgen, vormen samen de kerk. De kerk is de bruid van Jezus, die door God de Vader aan Zijn Zoon wordt gegeven.

Daarom ziet Johannes vanaf die hoge berg het nieuwe Jeruzalem, de plek waar alle mensen die hun leven aan God toevertrouwden zullen wonen. Het is een vierkante stad, 2220 kilometer breed bij 2220 kilometer lang. Een stad met gouden straten, versierd met de mooiste edelmetalen. Een stad met bovendien grote poorten. Dat betekent dat we de stad in en uit kunnen gaan. Het zal onze woonplaats zijn, zoals de hof van Eden ooit de woonplaats van Adam en Eva was, maar we zijn niet opgesloten. Er zal veel te ontdekken zijn op de nieuwe aarde.

Eén ding staat vast. Er is geen tempel in de stad. Ook geen kerk trouwens. God zelf zal namelijk in ons midden zijn. We hoeven dus niet naar een tempel te gaan om Hem te aanbidden. Hij geeft zelf bovendien zoveel licht dat we de zon en de maan niet meer nodig hebben.

De nieuwe schepping zal net zo goed en net zo mooi en net zo vredig zijn als de eerste. Misschien wel beter, mooier en vrediger. Ook dit bewerkte Jezus door te sterven aan het kruis.

Een nieuwe schepping

Er is ook een overeenkomst tussen de fysieke schepping en haar redding en de verlossing van de geestelijke mens. Hierboven zagen we dat het universum opnieuw moet worden geboren. Dat geldt ook voor de mens. Ook wij moeten een tweede keer worden geboren. Eerst baart onze moeder ons, maar onze geestelijke geboorte vindt plaats als we tot geloof in Jezus komen, zegt Jezus zelf in Johannes 3.

Bij sommigen vindt deze wedergeboorte plaats op één moment. Bijvoorbeeld door een preek, een wonderlijke gebeurtenis of een getuigenis dat hen zo raakt dat ze hun hart openzetten voor Jezus. Bij anderen is er geen duidelijk aanwijsbaar moment, maar is het een geleidelijk proces. Dat geldt vaak voor mensen die in een christelijk gezin zijn opgevoed. Maar iedereen zal toegeven dat God al met hen bezig was voordat ze (bewust) tot geloof kwamen. Paulus schrijft:

Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Dit alles is het werk van God. (2 Korintiërs 5:17, 18a)

Met het ‘oude’ wil hij zeggen dat we voortaan niet onszelf op de eerste plaats zetten. Het nieuwe is gekomen. Voortaan dienen we God. Dat proces, waarbij we steeds meer op Hem gaan lijken, vergelijkt Paulus dus met een nieuwe schepping. God creëert je opnieuw.
De eerste mens was dood, tot God Zijn ruach (Zijn adem) in de neusgaten van de mens blies. Toen kwam de mens tot leven. Op dezelfde manier werkt Gods Geest in ons. Hij blaast Zijn leven in ons, totdat we er uiteindelijk helemaal mee vervuld zijn.

De eerstgeborene van de schepping

We hebben al gezien hoe Jezus betrokken was bij de fysieke en geestelijke schepping, en hoe Hij nu nog doorgaat met het geven van geestelijk leven. Maar wist je dat de schepping ook Gods cadeau is aan Zijn Zoon?
Toen de apostel Paulus gevangen zat, schreef hij een prachtige brief aan de gelovigen in de Griekse plaats Kolosse. Hij begint met een prachtig gebed in dichtvorm over wie Jezus is:

‘Beeld van God, de onzichtbare, is Hij,
eerstgeborene van heel de schepping:
in Hem is alles geschapen,
alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
vorsten en heersers, machten en krachten,
alles is door Hem en voor Hem geschapen.
Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.
Hij is het hoofd van het lichaam, de kerk.
Oorsprong is Hij,
eerstgeborene van de doden,
om in alles de eerste te zijn:
in Hem heeft heel de volheid willen wonen
en door Hem en voor Hem alles met zich willen verzoenen,
alles op aarde en alles in de hemel,
door vrede te brengen met Zijn bloed aan het kruis.’
(Kolossenzen 1:15 20)

Jezus is een afspiegeling van God, zegt Paulus. Dat is wat hij bedoelt met: ‘beeld van God’. God zelf is onzichtbaar. We kunnen Hem niet waarnemen zoals we een ander mens zien. Maar Jezus is als een spiegel. In Hem zien we de reflectie van God.

Paulus noemt Jezus ook de eerstgeborene van de schepping. Dat is een vreemde uitspraak in het licht van wat we eerder bespraken. Johannes zegt toch dat Jezus het Woord van God is en dat Hij al bij Hem was voordat God de hemel en aarde maakte? Beweert collega-apostel Paulus in zijn gedicht nu dat Jezus een wezen is dat gemaakt is door God?

Nee, dat is niet wat hij bedoelt (al geloven bijvoorbeeld Jehova’s Getuigen dat wel). Met ‘eerstgeborene’ bedoelt hij dat Jezus als een erfgenaam is die nu al deelt in het bezit van zijn vader. De hele kosmos behoort Jezus toe. Het is alsof een koning zijn zoon een eigen koninkrijk geeft. De schepping is dus eigenlijk een cadeau van de Vader aan Zijn Zoon! Alles is voor Hem geschapen.

Voor Hem én door Hem, zegt Paulus. Voordat Jezus een timmerman was, was Hij de maker van de kosmos. Alle materie en alles wat leeft is door Hem gemaakt. Zowel de planten als de dieren als de mensen als de hemelse wezens die we niet zien. Er is geen molecuul, geen atoom dat niet in Hem zijn oorsprong vindt. Elke dinosaurus, elke walvis, elke olifant, elke mus en elke spin die ooit op aarde heeft geleefd, is in Jezus geboren. Dat geldt ook voor elke baby die ooit in de schoot van zijn of haar moeder gecreëerd werd.

Dat proces van groeien in de moederschoot is een uiterst intiem proces. Niets voor niets dichtte koning David al:

‘U was het die mijn nieren vormde,
die mij weefde in de buik van mijn moeder.
Ik loof U voor het ontzaglijke wonder van mijn bestaan,
wonderbaarlijk is wat U gemaakt hebt.
Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel.
Toen ik in het verborgene gemaakt werd,
kunstig geweven in de schoot van de aarde,
was mijn wezen voor U geen geheim.
Uw ogen zagen mijn vormeloos begin,
alles werd in Uw boekrol opgetekend,
aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.
(Psalm 139:13 16)

Wat een prachtige beeldspraak. God wordt omschreven als een Moeder die haar kind weeft, draadje voor draadje tot het een perfect kunstwerk is. Dit gebeurt in de baarmoeder van de vrouw die ons het leven schenkt. En terwijl God daar zo kunstig mee bezig is, is ons wezen (wie wij daadwerkelijk zijn!) voor Hem geen geheim.

In het begin waren wij vormeloos, net zoals de schepping aan het begin vormeloos was. Maar God ziet geen klompje mens. Hij ziet een persoon van vlees en bloed, een kind van wie Hij ontzaglijk veel houdt. Hij kent ons beter dan wij onszelf kennen.

Wil je ook een ontdekkingsreis maken door het Oude Testament en de Here Jezus op elke pagina leren zien? Lees dan ‘Jezus in het Oude Testament‘. Bestel je voor 18 september dan ontvang je bovendien als bonus de PDF ‘De 40 belangrijkste profetieën over Jezus in het Oude Testament’.

Leave a reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.